Rond 1900 raakte de lompen (textiel) als grondstof voor papier uit de gratie. Men ging toen zoeken naar nieuwe grondstoffen en er werd geëxperimenteerd met verschillende grassoorten. Omstreeks 1830 werd door dhr. Kellier ontdekt dat je houtcelluose kunt gebruiken voor de productie van cadeaupapier. Vervolgens werden er verschillende manieren gevonden om de vezels van het hout los te krijgen van elkaar. De volgende processen werden hiervoor ingezet: sulfietprocedé, het sodaprocedé, en het Kraft- of sulfaatprocedé.

Vanaf 1900  wordt  het meeste cadeaupapier van hout gemaakt, Een groot deel (70%) wordt van gerecycled papier gemaakt wat grootschalig wordt opgehaald en verwerkt. Karton wordt voornamelijk gemaakt van naalhout en loofhout uit Europa.Het meeste komt uit productiebossen en uit scandinavie, Zuidwest-Europa en het noorden van Amerika. Voor het vervaardigen van cadeaupapier wordt voral het afvalhout gebruikt en de kleinere takken. Dikkere stammen worden gebruikt voor de timmerindustrie.

 Door pigment toe te voegen kan men gekleurt cadeaupapier produceren.Pigenmenten die vaak gebruikt worden zitten in de vulstoffen zoals zinkwit en titaandioxide. De pigmenten worden aan het papier toegevoegd tijden de productie ervan. Organische pigmenten binden zich eenvoudiger als de eerder genoemde anorganische . Azopigmenten worden dan ok vaak gebruikt het cadeaupapier een uniforme kleur te geven.  Deze binden zich aan de oppervlakte van het cadeaupapier of in de vezels ervan.